De cirkel van het kerkleven

Het voelde ongeveer hetzelfde als het moment dat ik mij besefte dat ik steeds meer op mijn vader begon te lijken. Oncomfortabel, licht gênant, maar tegelijkertijd ook het besef dat er niet zoveel aan te doen is en dit nu eenmaal de cirkel van het leven is. 
Vanaf mijn 18de nam ik regelmatig jonge mensen bij de hand om een eindje met ze op te lopen. Door de kerk georganiseerde gezelligheid en een goed gesprek. Een keer in de week kwamen ze de koelkast en de voorraadkast plunderen. En we deden stiekem alsof ze van mij leerden, terwijl dat eigenlijk andersom was. In die jaren kwam het regelmatig voor dat er ouders langskwamen die op mij een nogal verbeten indruk maakten. Ze waren oprecht bezorgd over of het nog wel goed zou komen met hun kind. Mijn reactie was vaak laconiek en sloot daarmee niet altijd aan bij het gevoel van deze ouder. Toen ik dit bij iemand deed, die scherp was, volgde waren de legendarische woorden: ‘Wacht maar totdat je zelf tieners hebt.’ Ik was er van overtuigd dat er niet zoveel zou veranderen.
De laatste weken weigert mijn dochter, de pre-puber, naar de kerk te gaan. ‘Kerk is stom’. Net als de nodige andere dingen trouwens. Ze is echt nog niet zover dat ze met deuren smijt en ze mag van mij ook best een eigen mening hebben. Maar toch komen die woorden en de bezorgde blikken van die ouders al die jaren geleden weer naar boven. Herken ik ineens het gevoel dat je jezelf afvraagt: ‘Hoe moet ik hier nu weer mee omgaan?’
Misschien komt het er dan toch nog van. Dat ik niet alleen net als mijn vader wildvreemden op straat groet, maar dat ik over een jaar of vijf, op een avond georganiseerd door de kerk, op de jeugdwerker afwandel en aan hem vraag: ‘Komt het ooit wel weer goed met mijn dochter?’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *